4 jul 2011

Prachtwijken kun je niet maken

De focus bij achterstandswijken is verkeerd. Niet de wijk, maar de mensen moeten centraal staan.

Meer geld voor het grotestedenbeleid en de wijkaanpak. Dat is een van de uitkomsten van het crisisakkoord van dit kabinet. Hopelijk maakt minister Van der Laan daarbij betere keuzes dan zijn voorganger Ella Vogelaar. Met haar krachtwijkenbeleid zette ze tal van buurtprojecten en initiatieven in gang in de armste wijken van Nederland. Maar aan de daadwerkelijke oorzaken van achterstand is veel te weinig gedaan.

Welke Utrechtse wijk heeft het hoogste percentage bewoners dat zich actief inzet voor de leefbaarheid en veiligheid in de buurt? De Vogelaarwijk Kanaleneiland. Toch is nog steeds een groot aantal mensen in Kanaleneiland werkloos, laagopgeleid en hebben velen een inkomen op bijstandsniveau. De wijk kampt met een groep overlast gevende jongeren en hoge criminaliteitscijfers. Wat gaat er mis?

Kort gezegd kampt het wijkbeleid met verkeerde aannames, en daardoor een verkeerde focus. Het krachtwijkenbeleid is een speerpunt van dit kabinet, en het paradepaardje van de PvdA. Het was ex-minister Vogelaar (PvdA) die aan de slag ging met veertig achterstandswijken. Die worden gekenmerkt door een hoge concentratie van lage inkomens. Met de sloop van sociale huurwoningen en de nieuwbouw van duurdere woningen probeert de overheid hierin verandering te brengen.

De verwachting is dat de aanwezigheid van hogere inkomensgroepen een positief effect heeft op de positie van de kansarmen in de wijk. Er wordt dan ook krampachtig geprobeerd om een hechte wijkgemeenschap te orkestreren, onder meer door het ondersteunen van buurtinitiatieven: de spreekwoordelijke buurtbarbecues.

Hierbij wordt echter de mate waarin de overheid een wijk kan vormen ruimschoots overschat. De overheid kan de samenleving niet ’maken’. Mensen uit verschillende inkomensgroepen mengen maar mondjesmaat. En als ze dat wel doen, dan nog weten de sterkeren hun zwakkere buurtgenoten niet massaal ’omhoog’ te trekken. Verder kan de overheid lokale maatschappelijke partijen, zoals woningcorporaties, scholen of zorginstellingen, heel moeilijk sturen. Deze partijen staan – terecht – op afstand van de gemeente.

Een ander probleem is dat de beleidsmakers zich – onder invloed van dit maakbaarheidsdenken – blindstaren op de wijk als de ideale schaal voor beleid. Niemand zal ontkennen dat problemen zich concentreren en opstapelen in bepaalde wijken. Maar dat wil nog niet zeggen dat alle problemen ook op het niveau van de wijk kunnen worden opgelost.

Zo is voor werkgelegenheidsbeleid de stedelijke regio het relevante schaalniveau en moet er op landelijk niveau gewerkt worden aan een arbeidsmarkt waar iedereen voldoende kans op werk heeft. Voor goed en op de persoon toegespitst (voortgezet) onderwijs moet verder worden gekeken dan de wijk.

Ook de focus op het creëren van een hechte gemeenschap op wijkniveau is niet goed te begrijpen. Zo pak je de oorzaken van achterstand nog niet aan. Juist de stad als geheel biedt een natuurlijke omgeving voor ontmoetingen en kansen. Mensen kunnen deel uitmaken van verschillende gemeenschappen tegelijk, binnen en buiten de wijk. Diversiteit is een kracht van de stad. De stad is geen dorp! Van de wijk moeten we geen dorp willen maken.

Een ander gevaar van de wijkfocus is dat het beleid zich te veel gaat richten op de ruimtelijke statistiek. Daarbij lijkt de overheid de mensen zelf te vergeten. Wordt in een wijk een groep kansarmen ’vervangen’ door een groep kansrijken, dan zal de statistiek van dat gebied verbeteren, maar daarmee zijn de oorspronkelijke kwetsbare wijkbewoners nog niet geholpen. Sterker nog, een deel van deze mensen verplaatst zich samen met hun achterstand naar andere wijken: het zogenaamde waterbedeffect.

Niet de wijk, maar de mensen moeten centraal staan. Alleen op die manier kunnen achterstandswijken prachtwijken worden. Verbetering van de positie van mensen in een achterstandssituatie vraagt om sociaal-economisch beleid dat is gericht op toerusting en participatie. Goed onderwijs vormt daarvoor de basis. Werk is vervolgens dé manier om actief deel te nemen aan de samenleving en jezelf verder te ontwikkelen. Mensen moeten worden toegerust en uitgedaagd om het beste uit zichzelf te halen. De overheid moet hen daarbij ondersteunen met beleid dat de toegang tot goed onderwijs en werk vergroot.

In het crisisakkoord wordt gepleit voor investeringen in het grotestedenbeleid en de wijkaanpak. Los daarvan zijn scholing en arbeidsparticipatie tot topprioriteiten benoemd. Hier ligt een kans voor het kabinet om nu twee vliegen in een klap te slaan: investeer in mensen, dan komen die wijken er vanzelf weer bovenop.

Van Katinka Eikelenboom, medewerker van het Wetenschappelijk Bureau GroenLinks, verscheen 30 maart de studie ’Banen of barbecues? Kanaleneiland als case study van wijkbeleid’. Hamilcar Knops is auteur van het rapport ’De stad terug aan de mensen’ en medewerker van het Wetenschappelijk Instituut voor het CDA.

Domeinleider onderwijs bij de Vereniging van Universiteiten (VSNU). Voormalig medewerker van Bureau de Helling.
Alle artikelen
Stafmedewerker Wetenschappelijk Instituut CDA.
Alle artikelen