10 minuten

Democratie van de zintuigen

Politiek en esthetiek volgens Jacques Rancière

Kunst is politiek voor zover ze een eigen ervaring van tijd en ruimte creëert die afwijkt van de gewone orde, zegt Rancière. Piet Molendijk geeft een korte inleiding op zijn werk.

Rancière onderscheidt wat hij werkelijke politiek noemt van policing. Met deze door Michel Foucault geïntroduceerde term refereert hij aan datgene wat we normaal gesproken begrijpen onder ‘de politiek’. Tegenstellingen en conflicten worden in bestuursorganen opgelost doordat vertegenwoordigers van onderscheiden belangen een consensus vinden. Beleidsontwikkelingen worden gevoed door wetenschappelijke, juridische en populaire verhandelingen waarin de structuren van de maatschappij worden onderzocht en benoemd. De concepten die in deze vertogen worden gemunt, produceren de opvattingen die het publieke en privé leven reguleren. Maar dit is niet het hele verhaal. Rancière voegt een extra, esthetisch argument aan deze politieke analyse toe. Deze beheers- en bestuursordening is alleen mogelijk omdat, vooraf aan elk politiek beleid, de wijze waarop we überhaupt kunnen ervaren voorgeschreven is. De vormen van de zintuiglijkheid organiseren dat wat is gegeven aan onze ervaring, daarin ligt vast wat gezien en gezegd kan worden, en bij implicatie wat niet gezien en gezegd kan worden. In een latere uitwerking – in Le partage du sensible (2000) – spreekt Rancière over de verdeling van de zintuiglijk waarneming.

Uiteraard wordt deze verdeling niet gestuurd door gehaaide belangenbehartigers. Geen instantie controleert deze verdeling. De zintuiglijkheid wordt continu gevormd in de opvoeding, op scholen en vooral in de media. Door deze structurering van de waarneming worden mensen in de orde-van-de-police gereduceerd tot een populatie van gefixeerde en telbare identiteiten. Niet te categoriseren aspecten en elementen van het menselijke bestaan worden simpelweg niet waargenomen. De op deze wijze vastgelegde populatie kan dan geregeerd worden volgens de laatste management imperatieven.

Een werkelijk politiek conflict is volgens Rancière veel zeldzamer. Politiek ontstaat op het moment dat een gemeenschap vorm krijgt, als mensen worden verbonden door iets gemeenschappelijks. Volgens Rancière is dit gemeenschappelijke niet zozeer een gezamenlijk bezit, zolas een grondgebied of gedeelde belangen. Het is eerder een gedeelde zintuiglijke waarneming die de gezamenlijkheid en de politiek mogelijk maken. In de zintuiglijkheid is het fundament gegeven waarop een groep haar leden kan tellen en kan zien wie er wel en niet bijhoren. Sommige gearticuleerde uitingen worden als zinvol ervaren, terwijl andere als onzinnig van de hand worden gewezen. Daarmee is voor Rancière de inzet van de politiek, zoals de inzet van de esthetiek, de wijze waarop zintuiglijk wordt waargenomen.

En dan is het politieke conflict die zeldzame gebeurtenis wanneer de gesanctioneerde uitgangspunten die deelname aan de samenleving garanderen - de erkende posities binnen de vigerende verdeling van zintuiglijkheid - doorbroken worden. Het politieke conflict ondermijnt niet alleen de common sense, maar vernietigt ook de gedeelde zintuiglijke wereld. Concreet betekent dit dat een werkelijk conflict zich voordoet wanneer de uitgeslotenen, zij die niet geteld want niet waargenomen worden, de consensus over de waarneming ondergraven. Het volk – de demos in Athene en het plebs in Rome – tellen eenvoudigweg niet mee omdat hun stemmen weliswaar gehoord, maar niet verstaan worden. Volgens de aristocratische orde is het volk simpelweg niet in staat om een gearticuleerd standpunt in te nemen. Rancière spreekt uitdrukkelijk niet over achtergestelde groepen die hun legitieme belangen opeisen. Over een dergelijke eis zou onderhandeld kunnen worden binnen de orde-van-de-police door een consensus te vinden. Nee, de opstand van het volk vereist de reorganisatie van de zintuiglijke structuur in de samenleving. Het volk laat weten dat met hen gesproken kan worden. De inzet is niet het particuliere belang van een specifieke groep, het volk klaagt niet zozeer over het onrecht dat haar aangedaan wordt, maar eist dat hun stemmen gehoord worden. Het eist geaccepteerd te worden als gesprekspartner, met een beroep op de fundamentele gelijkheid van allen die het vermogen hebben om te spreken. Wij, het volk dat niet meetelt, zijn het volk, wij zijn de enige groep die allen vertegenwoordigen. Elke andere groep vertegenwoordigt het eigenbelang. Zo waren tijdens de Franse Revolutie de opstandelingen er niet op uit om toe te treden tot de adel of de geestelijkheid. Ze beoogden als een onderscheiden groep in de samenleving te spreken voor de gehele samenleving omdat hun inzet iedereen betrof: als burger is iedereen gelijk. Deze politieke conflicten zetten in op een verandering van het zelfbeeld van de samenleving, op een nieuwe verdeling van het zintuiglijke.

Nu kan Rancière zijn claim onderbouwen. De politieke filosofie heeft - met verschillende strategieën - altijd tot doel gehad dit politieke conflict te neutraliseren om zo de orde-van-de-police te legitimeren. Drie fundamentele posities getuigen hiervan.

De archè-politiek die teruggaat op Aristoteles construeert als basis van de politiek een afgesloten of homogene gemeenschap. Hedentendage is deze positie te herkennen in het communitarisme van Amitai Etzoni, Charles Taylor, Alasdair MacIntyre, Michael Walzer en in Nederland bij Ad Verbrugge. Dit communitarisme bekritiseert de invloed van de markt en de staat met een beroep op gemeenschap en traditie. In het aanspreken van het verantwoordelijkheidsgevoel van de burger voor de gemeenschap wordt buiten beschouwing gelaten dat deze burger en deze gemeenschap de voorwaarde vormen voor de politieke ordening. Wat buiten de gedefinieerde gemeenschap valt, wat geen burger is, bestaat eenvoudigweg niet.

In de para-politiek wordt het politieke conflict vertaald in de logica van de police. Gebaseerd op Hobbes’ inzicht dat de ondergang van de samenleving alleen vermeden kan worden door het recht op geweld over te dragen aan de soeverein verkrijgt de staat het geweldsmonopolie. Het politieke conflict wordt juridisch gemaakt en gereglementeerd. Jurgen Habermas’ machtsvrije dialoog en John Rawls’ formalisering van de rechtvaardigheid vormen de hedendaagse varianten van deze regulering. Conflicten worden alleen dan als zodanig erkend als ze opgelost kunnen worden volgens de regels. De uitwassen daarvan kennen we in de lege mantra ‘regels zijn regels’.

In de metapolitiek die teruggaat op Plato wordt het werkelijke politieke conflict weliswaar serieus genomen, maar door de oplossing op een ander niveau te zoeken alsnog verdonkeremaand. Het klassieke voorbeeld hiervan was te vinden in het reëel bestaande socialisme. Omdat het echte conflict – de klassenstrijd - al is opgelost kan het beheer van de samenleving zich beperken tot de administratie van dingen. Deze politiek is voor ons herkenbaar in de opvatting dat de staat slechts de samenleving moet managen: elk conflict kan op technologische en wetenschappelijke wijze worden opgelost. Zo wordt het politieke conflict over leven en dood, de strijd om het planetaire milieu, in de metapolitiek door technische experts opgelost.

Een vaste plaats

Deze maatschappelijke ordeningen kennen elk een eigen structurering van de zintuiglijke waarneming. Als het zintuiglijke dat is wat in staat is om opgenomen te worden door de zintuigen - de wijze van waarnemen- dan verwijst de (ver-)deling  naar de impliciete regels die de plaats en de vorm van de participatie situeren en ons een gemeenschappelijke en gedeelde wereld geven. De feitelijke distributie van het sensibele brengt het zichtbare, het hoorbare en het mogelijke in kaart. En daarmee situeert Rancière zijn politieke inzet op het terrein van de esthetiek. Terugkijkend naar haar ontstaan in de achttiende eeuw, vat hij de esthetica niet op als een wetenschappelijke of filosofische vakdiscipline met de kunst als haar object. Ook niet als een theorie over de zintuiglijke ervaring in algemene zin. Esthetiek is “het systeem van voorafgaande vormen die, dat wat zich in zintuiglijke ervaring presenteert, determineren.” En als zodanig is het ook een “verzameling regels voor de identificatie van de kunst”, dat wil zeggen, esthetica bepaalt de wijze waarop kunst in een bepaalde samenleving gedefinieerd wordt als kunst.

Heel schematisch gesproken kan gesteld worden dat tot in de achttiende eeuw iedereen een vaste plaats in de samenleving was toebedeeld, en elke plaats kende een eigen verdeling van het zintuiglijke. Regeerders en degene die geregeerd werden kenden een verschillende zintuiglijke ervaring: andere ogen, andere oren, een ander verstaan van de werkelijkheid. De geboorte van de esthetica als een aparte discipline in 1750 markeert de breuk met deze ongelijke verdeling. De herverdeling van de ervaring en de politieke veranderingen gaan gelijk op. Een nieuwe structurering van het zintuiglijke leidt tot andere vormen van kunst. Dit uit zich institutioneel: in de negentiende eeuw kan het autonome individu als vrije burger in eenzaamheid door de nieuwe museumzalen dwalen om daar de even autonome kunst die aan de steriele muren eenzelfde eenzaamheid kent, te consumeren.

Om deze veranderingen te duiden en om de hedendaagse kunst te doordenken onderscheidt Rancière drie verschillende waarnemings- of perceptieregimes. Hoewel ze in verschillende periodes zijn ontstaan beperken ze zich daar niet toe. Deze politiek geladen regimes zijn in het heden tegelijkertijd werkzaam, al ligt het accent duidelijk op het laatste regime.

Het Platoonse ethische regime van beelden eist dat de afbeeldingen waarheidsgetrouw zijn, zij dienen de burgers te onderwijzen en op te voeden. De kunst representeert de werkelijke indeling van de samenleving waarin een ieder zijn vaste, met het beroep corresponderende, plaats inneemt. Hedendaagse kunst met een expliciete ‘boodschap’ blijft voldoen aan Plato’s eis.

In het representatieve regime van de kunsten bevrijdt Aristoteles de kunsten van de morele, religieuze en sociale criteria van het ethische regime. Door voor de ‘schone kunsten’ een aparte plaats te reserveren, ontstaat ruimte voor het recht op fictie en verbeelding. Maar deze verbeelding dient op haar beurt wel weer te gehoorzamen aan vaststaande regels met betrekking tot de ambachtelijke kwaliteit, de goede verhouding tussen onderwerp en afbeelding en de hiërarchie van de kunstdisciplines. De klassieke Aristotelische classificaties bepalen de speelruimte van de kunst.

Het esthetische regime van kunst maakt korte metten met deze hiërarchische verdeling van het zintuiglijke. Door gelijkheidwaardigheid op te eisen voor alle onderwerpen, de onverschilligheid van de stijl in relatie tot de inhoud te claimen, en de dingen zelf hun betekenis te laten bepalen, vernietigt het esthetische regime het systeem van disciplines. De ‘schone kunsten’ maken plaats voor kunst in haar singulariteit. De ontwikkeling daarvan wordt, ook volgens Rancière, geïllustreerd door de geschiedenis van de avant-garde. Het steeds radicaler ondermijnen van de kunstmatige middelen in de kunst leidt tot een tegenstelling omdat het esthetische regime zo ook het onderscheid tussen kunst en andere activiteiten problematiseert. Strikt gesproken kan dit egalitaire regime van het zintuiglijke de eigen plaats van de kunst alleen garanderen tegen de prijs van het oplossen van haar unieke positie. Immers een volledige democratisering van de zintuiglijkheid vernietigt de kunst als een onderscheiden terrein. Als kunst en leven niet langer te onderscheiden zijn en in elkaar opgaan, verdwijnt de kunst. In het esthetische regime zit de kunst gevangen in het spanningsveld waarin ze zowel kunst is als het samensmelten en het opgaan in het leven. Strikt genomen is er zelfs geen sprake meer van een distributie van het zintuiglijke omdat elke distributie mogelijk is.

Spanning

Het esthetische regime kent een tweevoudige verbinding tussen politiek en esthetiek. De eerste vorm is het tot leven worden van de kunst (en dus de oplossing van de kunst), terwijl als tweede vorm de kunst hiertegen weerstand blijft bieden en de kunst als kunst, als een apart terrein van het leven, in stand houdt. En daar ligt haar politieke kracht: de kunst exploreert zintuiglijke structuren en ontdekt zo nieuwe mogelijkheden. Deze twee aan elkaar tegengestelde vormen zijn onlosmakelijk en onontwarbare met elkaar verbonden. Rancière zoekt het politieke moment niet in één der polen, maar in de spanning zelf.

Kunst is niet politiek vanwege de boodschap of de gevoelens die ze overbrengt, noch door conflicten of identiteiten af te beelden. Kunst is politiek in zoverre ze een eigen tijd-ruimte ervaring creëert, ervaringen van samen- of apart zijn, van in- of uitsluiting,  van binnen of buiten te zijn, en dat in vormen die afwijken van de in de orde-van-de-police voorgevormde praktijken.

Politiek is niet de uitoefening van macht of de strijd om de macht, het is eerst en vooral het construeren van een ruimte als een politieke ruimte, de strijd, het conflict om het ontstaan en bestaan van een specifieke ervaringssfeer. Deze distributie en herverdeling van tijd en plaats en identiteiten, de wijze van framen van het zichtbare en onzichtbare, kortom de verdeling van het zintuiglijke is zowel een politieke als esthetische activiteit.

Eén van de locaties van die politieke strijd is de waarneming die getriggerd wordt door de dichotomie allochtoon/autochtoon. Door de maatschappelijke logica van dit onderscheid kunnen we de beruchte fout van een deelneemster aan het televisieprogramma Get the Picture, die op de vraag “hoe noemen we iemand die niet is aangepast aan het leven in de maatschappij?” antwoordt met “allochtoon”, niet afdoen als een persoonlijk falen. In dat antwoord werd de maatschappelijke logica van de verdeling van het zintuiglijke in Nederland uitgedrukt. En het buurmeisje dat mij op die zonnige middag zo vrolijk groette, stelt met haar T-shirt deze logica aan de kaak en eist zo een andere verdeling van het zintuiglijke.

Literatuur:

- J. Rancière, La Mésentente, politique et philosophie, Galilée, Paris 1995.
- J. Rancière, Le partage du sensible, esthétique et politique, La fabrique, Paris 2000.
- J. Rancière, Het esthetische denken, Valiz, Amsterdam 2007. Hierin zijn opgenomen: Het delen van het zintuiglijk waarneembare, Esthetiek en politiek en Het esthetische onbewuste. Nederlandse vertaling Walter van der Star.
- Ook verscheen Solange de Boer (red.), Grensganger tussen disciplines, Over Jacques Rancière. Deze uitgave geeft met essays en een interview inzicht in de achtergronden van Rancières denken.

Dit artikel verscheen eerder in de Helling 20.4. De nieuwe Helling heeft ook politieke kunst als thema. Meer weten? Zie hier voor verdere informatie en om te bestellen.

Reactie toevoegen

Gerelateerde artikelen