Redactioneel: Twijfel

Als 15 jarig jongetje had ik mijn eerste echte politieke ervaring. Want ik tel even niet mee dat ik op jongere leeftijd al met mijn broertjes folderde, ballonnen opblies en affiches uitdeelde – dat alles voor de partij van mijn ouders, de ARP: de anti-revolutionairen, de partij van de gereformeerden, die in 1980 opging in het CDA. De partij met het prachtige paars als huiskleur. Thuis zaten wij, toen we 10, 11, 12 waren, op de verkiezingsavond bij de televisie te juichen als de ARP van 'mooie Barend' (Biesheuvel) ergens in den lande weer een procentje erbij kreeg. Ajax en de ARP moesten winnen.

Maar goed, op mijn 15de dus ging ik een keer met mijn vader mee naar een plaatselijke bijeenkomst van de AR. Uit het verre Den Haag was een spreker gekomen die het kerkzaaltje vol deed lopen: Maarten Schakel, jarenlang Tweede Kamerlid en boegbeeld van de partij door zijn rechtlijnige opvattingen over wat goed is en wat kwaad. Een keihard debater ook, wat het snotneusje tot zijn schande moest ervaren toen hij in jeugdige overmoed meneer Schakel in een vraag durfde tegen te spreken. Met een vlotte rechtsdirecte werd ik in de hoek gezet. Dat was de mores in de partij, legde mijn vader mij na afloop uit. Politiek is argumenteren en geen theekransje waar je aardig tegen elkaar bent. Hij had gelijk, daar zat ook niet mijn probleem. Mijn ongemak met Schakel, de AR en de hele gereformeerde stroming was 'het grote gelijk', het zeker weten, de absolute scheiding tussen het juiste en het verkeerde.

Toen ik de ouderlijke woonplaats kon verlaten om te gaan studeren, kwam ik na een tijdje via studiegenoten terecht bij de studentenvakbeweging. Plots zat ik weer in de kerk: hier een zelfde dogmatisme, een benauwend normatief denken dat haarscherp bepaalde wie gelijk had en wie niet. Ik wist het allemaal niet zo zeker; ik wilde ook kunnen twijfelen.
Later ontdekte ik linkse kringen die minder normatief waren. Ik liep zelfs mee in demonstraties, al was het liever in de buurt van een spandoek met een vraagteken dan met een uitroepteken. Met het klimmen der jaren nemen de twijfels alleen maar toe. Voor of tegen de Irak-oorlog? Voor of tegen eigen verantwoordelijkheid? Voor of tegen vrijzinnigheid? Met een mengeling van verbazing en bewondering bekijk ik politici die altijd alles zeker weten – zeker moeten weten.

In dit nummer verwijt Jan Hoogland links de afgelopen dertig jaar zelfgenoegzaamheid en gebrek aan zelfkritiek. Heeft hij gelijk? Links was niet één kerk, maar vele kerken die elkaar onderling op leven en dood verketterden en bekritiseerden. Maar toch, als je links was was je moreel verheven. Links was een geuzennaam, rechts een scheldwoord. En er waren altijd onwrikbare toetsstenen die bepaalden of iemand links was, en dus goed, of rechts en dus fout. Die morele verhevenheid staat nu alom ter discussie.

Het is de rol van de Helling om te twijfelen of mensen aan het twijfelen te brengen. Als bijdrage daaraan in dit nummer drie kritieken op het pleidooi voor vrijzinnigheid van Femke Halsema. 

Journalistiek onderzoeker.
Alle artikelen