Redactioneel: Tijd

Een paar weken geleden speelde zich 's avonds bij mijn overburen een echtelijke ruzie af die vanwege de openstaande ramen goed te volgen was. Dat wil zeggen, vooral het gekrijs van de vrouw was te horen. Werd ze bedreigd, zo vroeg ik me af op mijn balkon, en moest ik actie komen? En hoe dan, aanbellen en vragen of alles in orde was? Had ik het recht om me er mee te bemoeien, en het lef? 

Op dat moment liepen twee agenten de straat in en kwamen, aarzelend, op het geschreeuw af. Ik greep mijn kans mijn verantwoordelijkheid af te schuiven en wees de agenten erop dat daarbinnen een vrouw mogelijk in gevaar was. Zij stonden evenzeer in dubio en vroegen op hun beurt aan mij wat ze dan moesten doen. Aanbellen, zei ik. Dat ging het bevoegd gezag te ver en koos voor afwachten. Toen stopte het geschreeuw, de ruzie leek beslecht, hoe dat bleef de vraag, maar de agenten dropen af en ik ook.

De overstap van dit incident naar de wereldpolitiek is groot, misschien te groot. Maar toch. Amerika meent wel het recht te hebben (en heeft het lef) bij vreemden aan de bel te trekken en binnen te lopen om orde op zaken te stellen als het in zijn ogen daar niet pluis is. Sinds Amerika de enige supermacht is en sinds Bush meent dat hij de politieagent is van de wereld, en daarmee het bevoegd gezag, staat de soevereiniteit van landen ter discussie. Dat is geen nieuwe discussie, zoals Willem Schinkel in zijn essay in dit nummer laat zien. In 1900 vond in Duitsland een congres plaats waar de vraag aan de orde was welke “sociale en morele verplichting” een wereldmacht heeft in haar buitenlandse politiek. Wat rechtvaardigt het ingrijpen in een ander land? Die vraag is wat betreft Irak nog lang niet definitief beantwoord, zeker niet nu het er op lijkt dat Bush en Blair hun parlementen en de wereld hebben voorgelogen over de aanwezigheid van massavernietigingswapens in Irak. In zijn algemeenheid betreft het een moreel dilemma waarop geen lichtvaardig antwoord bestaat. De Duitse staatssecretaris Rezzo Schlauch (van de Grüne) zegt in een hier afgedrukte lezing dat Europa moet erkennen dat er iets mis is met het internationaal recht en moet nadenken over de grenzen aan soevereiniteit.

In dit nummer gaan we uitgebreid in op de internationale politieke situatie en meer precies de rol van Amerika. Ondertussen hebben we in Nederland een nieuw kabinet. Een kabinet met een volgens velen uitgesproken rechts programma van bezuinigingen dat vooral mensen zonder werk hard zal treffen. We openen met opinies van twee linkse parlementariërs over hoe oppositie gevoerd zal moeten worden.

Achterin deze Helling een fotoreportage over Louis G. Le Roy [alleen in de gedrukte Helling]. Deze beeldend kunstenaar werkt al bijna twintig jaar aan een ‘kathedraal’ die zeker niet voor het jaar 3000 af zal zijn. Het project is een kritiek op onze samenleving waar nergens meer tijd voor is. Voor elk probleem is een onmiddellijk praktisch antwoord, wat dan weer nieuwe problemen oproept, meent Le Roy. “Voor het oplossen van problemen is tijd nodig”.

Hadden die agenten toch gelijk?

Journalistiek onderzoeker.
Alle artikelen