Redactioneel: De moeder van Desi

Basisscholen bieden prachtige inkijkjes in de Nederlandse werkelijkheid. Een kennis van mij is onderwijzeres in groep 8. Op een ochtend zat een van haar leerlingen, Desi, enorm te klieren en toen ook herhaalde waarschuwingen niet hielpen, was ze het zat: Desi kreeg te horen dat ze aan het eind van de dag moest nablijven. Dat werkte. Maar na de middagpauze ging onder de rekenles opeens het mobieltje van Desi, die tegen alle afspraken in aanstond. Voordat de juffrouw de kans had daar iets van te zeggen had Desi al opgenomen en stond op uit haar bank: “Juf, het is voor u: mijn moeder, ze is het er niet mee eens dat ik moet nablijven.”

Nee, Nederlanders laat zich niet ringeloren – ‘wie denkt die juffrouw wel niet dat ze is?’. We zijn misschien niet allemaal even brutaal als deze moeder, maar niet minder assertief. We geloven de specialist niet op voorhand en willen een second opinion, we gaan in beroep tegen een geweigerde vergunning van de gemeente, we gaan in discussie met de agent over de bekeuring en we vinden al die politici dom en zouden het zelf veel beter doen. Nederlanders zijn mondig, goed opgeleid en voelen zich niets minder dan een ander. Vooral dat laatste: we zijn gelijk!
Nou hoor je ook enorm veel gemopper over die grote mondigheid – ‘wie denkt die burger wel niet dat hij is?’ Dat gemopper, soms regelrecht cultuurpessimisme, komt vooral van degenen die hun gezag door die assertiviteit ondermijnd zien: de onderwijzer, dokter, rechter, journalist, kunstenaar, politicus. Het zijn de professionele elites van het publieke domein wier machtspositie hier in het geding is. Ze vrezen verplatting, vervlakking, vermarkting, ze vrezen kortom: het volk. Die angst is niet nieuw.
De geschiedenis kent vele emancipatiegolven en misschien beleven we er weer een. Na de emancipatie van groepen – de arbeiders, de kleine luyden, de vrouwen, de katholieken en in de jaren zestig en zeventig de bevrijding van de middengroepen uit de zuilen – beleven we nu de definitieve emancipatie van het individu. Hij verschijnt als klant op de markt en vooral als burger in het publieke domein.
Aangezien elke emancipatiegolf pijn doet omdat er immers een machtsverschuiving plaatsvindt – van kapitaal naar arbeid, van mannen naar vrouwen – is dat ook nu het geval. Nu zijn het de genoemde professionals in de publieke sector die ruimte moeten maken. Ze hebben het niet langer meer vanzelfsprekend voor het zeggen.
Het meeste pijn doet dat in de politiek. In de jaren tachtig was de kiezer al gaan zweven, maar hij uitte dat toen slechts een keer per vier jaar; sinds Fortuyn is de burger geheel losgeslagen. Dagelijks geeft hij zijn mening: protesteert, scheldt, prijst, juicht, klaagt en dreigt. Politici die gewend waren tussen de verkiezingen door het onderling te kunnen regelen, verkeren nu in permanente vertwijfeling: hun legitimatie is nooit zeker. In het onderwijs, de zorg, het maatschappelijk werk, kunsten, strafrecht, media heerst een soortgelijke vertrouwenscrisis, zij het iets minder scherp. Voor alle publieke sectoren geldt dat door de opkomst van de burger de oude regels en omgangsvormen ter discussie staan. Noem het democratisering, of misschien popularisering.
In deze Helling onderzoeken we de opkomst van de mondige burger en de wijkende elite. We nemen een kijkje in het onderwijs, de zorg, het strafrecht, de media en natuurlijk de politiek. En we keren terug naar Alexis de Tocqueville en de twijfel bij de 19de eeuwse elite over democratie uit angst voor het volk.
Zijn wij bang voor Desi’s moeder?

Journalistiek onderzoeker.
Alle artikelen