Hoffelijkheid helpt

Net als haar partijgenoot Femke Halsema (zie de vorige Helling) maakt Andrée van Es zich zorgen over de emancipatie van jonge moslimmeiden. Verworven rechten van vrouwen en homo’s staan steeds meer onder druk. De stad wordt kwetsbaar. Onlangs hield Van Es op een conferentie in Amsterdam een pleidooi tegen gesloten bastions en voor hoffelijkheid.

‘Echte’ Nederlanders staan positief tegenover homoseksualiteit en zijn voor vrouwenemancipatie. Dat is, kort gezegd, het uitgangspunt van deze conferentie. Maar, zeggen de organisatoren van de conferentie, deze opvatting over de Nederlandse identiteit is ook een middel tot uitsluiting. In het rechtse politieke discours wordt deze opvatting gebruikt om aan te tonen wie er wel en wie er niet bijhoren in Nederland. De organisatoren noemen dit ‘seksueel nationalisme’. Naar mijn mening hebben ze daarmee een onderwerp te pakken dat de moeite waard is en erg herkenbaar. De seksuele revolutie is cruciaal geweest voor de vrouwenbeweging en voor homo-emancipatie. Ik behoor tot de generatie die daarmee is opgegroeid en voor wie dat veel waarde heeft. We bevinden ons nu in het politieke decor waarin rechtse partijen deze verworven rechten tot inzet maken van een nationalistische verdediging. Het zijn ‘onze’ waarden geworden tegenover de waarden van nieuwkomers. Dit seksueel nationalisme staat toe, sterker nog, stimuleert dat mensen zich terugtrekken in hun veilige bastions. De opgave van deze tijd is juist hoe wij uit onze bastions kunnen treden en nader tot elkaar kunnen komen. Hoe komen wij weer met elkaar in gesprek? Burgerschap is een sleutel.

Onder het genoemde seksueel nationalisme gaat mijns inziens een bepaald sentiment schuil, dat nu door rechtse partijen op de agenda is gezet. Het gaat om het gevoel van de teloorgang van progressieve waarden, zoals de vrijheid van homo’s om openlijk homoseksueel te zijn, of van vrouwen om hun eigen (seksuele) keuzes te maken.

Laat ik duidelijk zijn: ik neem de signalen dat homo’s niet langer hand in hand over straat kunnen, zéér serieus. De mate waarin homoseksuelen een gelijkwaardige positie hebben in een samenleving, is maatgevend voor de tolerantie in die samenleving, zegt bijvoorbeeld futuroloog Peter Schwartz. Maar volgens mij is het onjuist om te denken dat het vroeger allemaal beter was. Het is een misvatting te denken dat het vroeger gemakkelijk was om over seksualiteit te praten en seksueel vrij te zijn en dat ons dat nu is afgenomen door de komst van nieuwe mensen. Laten we eerlijk zijn: het is nooit gemakkelijk geweest. En ondanks de seksuele revolutie die ons zoveel heeft gebracht, worden vrouwen nog vaak gezien als lustobject. Seksueel geweld is nog steeds een vaak voorkomend delict, ook in huiselijke kring.

Wel is Nederland progressief over homoseksualiteit, zeker wanneer je dit in internationaal perspectief plaatst. In Europa zijn we koploper, bevestigt een recent rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau (Steeds gewoner, nooit gewoon). En bij landen als Oeganda of de Verenigde Staten steken we natuurlijk positief af. De veronderstelde teloorgang van progressieve waarden is dus wat mij betreft onterecht. Dit sentiment tot inzet maken van de verdediging van dat wat Nederlands is, is daarom niet productief. Het gaat bovendien voorbij aan de reële opgave waar we voor staan: die van het openstellen van gesloten gemeenschappen, veilige bastions, om gelijkwaardigheid, gemeenschappelijkheid en veiligheid te hervinden.

Kwetsbaar

De bevolkingssamenstelling in Amsterdam is de laatste decennia ingrijpend veranderd. In Amsterdam was in het schooljaar 2009-2010 36 procent van de leerlingen op de Amsterdamse basisscholen van autochtone afkomst. Meer dan vijftig procent had een niet-westerse achtergrond. De vraag of de multiculturele samenleving nou wel of niet geslaagd is, is in Amsterdam dus helemaal niet meer relevant. De multiculturele samenleving is een gegeven.

Maar Amsterdam is wel kwetsbaar. Amsterdam is iets te zelfvoldaan geworden als het gaat om de vanzelfsprekendheid waarmee we tolerantie als een gegeven beschouwen.

Niet dat we die tolerantie hebben verloren, nee. Maar de tolerantie van vroeger schiet nu tekort. De verschillen in de stad zijn groter geworden en vragen mijns inziens méér moeite en inspanning dan tolerantie alleen. Zo hebben we te maken met de terugkeer van religie in het publieke domein en weten we eigenlijk niet zo goed hoe we daar mee om moeten gaan. Het taboe op (praten over) seksualiteit, dat van alle tijden is, zie je nog steeds overal terug, zéker bij jonge mensen. Ik dacht – iets te zelfvoldaan – dat het beeld van vrouwen als Madonna of hoer achter ons lag. Dat is niet zo. Het vormt nog steeds de grootste bedreiging bij de bevrijding van vrouwen en meisjes, zeker als het om seks gaat.

De moord op Theo van Gogh speelt ook nog steeds mee in de achterhoofden. Die heeft geleid tot angst voor andere bevolkingsgroepen. Multicultureel onbehagen moeten we serieus nemen.

En dan zijn er nog het toenemende antisemitisme en het geweld tegen homo’s. Onderzoeken wijzen keer op keer uit dat negatieve opvattingen over homoseksualiteit overal in de samenleving voorkomen; dat antisemitisme in de Nederlandse samenleving is geworteld, meer dan ons lief is; maar dat bij geweldsuitingen vooral Marokkaanse jongens oververtegenwoordigd zijn.

De manier waarop het publieke debat hierover wordt gevoerd baart mij zorgen. Het debat zoals dat zich afspeelt in de media, de politiek en de samenleving, definieert groepen als een homogeen geheel. Het zijn dus dé Marokkanen die homo’s in elkaar slaan en joden discrimineren. Het zijn dé moslims die hun vrouwen onderdrukken. Dit is niet alleen onjuist, het heeft ook een onwenselijk effect. De verontwaardiging over de rol van Amsterdamse Marokkanen bij geweld tegen homo’s heeft een negatieve consequentie: álle Marokkaanse Amsterdammers voelen zich in de hoek gezet. “Hoe zit het met de uitsluiting van Marokkanen en met islamofobie?”, vragen zij aan mij, “Waarom is daar geen aandacht voor?” De econoom Amartya Sen beschrijft dit effect in zijn boek Identity and Violence als volgt: degenen die de islam als probleem zien, praten alleen met moslims over hun geloof en zien nooit meer de mens achter de moslim, met ook nog hele andere belangen, opvattingen en leefstijlen, en zien zeker nooit meer de enorme diversiteit onder moslims. Hiermee wordt groepsidentificatie versterkt. Deze groepsidentificatie versterkt een terugtrekkende beweging van mensen in hun veilige bastions. Er ontstaan gesloten gemeenschappen met gelijkgezinden. De afstand tussen groepen wordt vergroot. De kans om ‘een andersdenkende’ te ontmoeten wordt verkleind. Maar, zo is mijn overtuiging, in gesloten gemeenschappen, bastions, verliezen mensen binding met de samenleving. Bovendien is mijn ervaring dat in gesloten religieuze gemeenschappen vaak conservatieve waarden domineren die niet veel goeds brengen voor met name meisjes en vrouwen. De normering van de zedelijkheid, vooral van de zedelijkheid van vrouwen, blijkt juist in gesloten religieuze gemeenschappen springlevend.

Als we geconfronteerd worden met zaken die ons onzeker maken zijn we geneigd om terug te grijpen op ‘veilige’, collectieve regels. Ook religieuze regels. Deze regels komen onder andere tot uiting in de normering van de zedelijkheid.

Tijdens mijn Kamerlidmaatschap in de jaren tachtig ageerde ik onder andere tegen het feit dat verkrachting binnen het huwelijk destijds niet strafbaar was volgens het Wetboek van Strafrecht. De hele zedelijkheidswetgeving, daterend van 1889, was erop gericht dat een meisje als maagd trouwde, en dat het eerst aan de vaders en vervolgens aan de echtgenoten was om haar eer en zedelijkheid te beschermen. Ik citeer mijzelf uit een Tweede Kamerdebat van 1984, diep in de tijd van de strijd tegen de heteronorm:

“Het hoofddoel was toch wel het hoogste goed uit de samenleving veilig te stellen: het huwelijk en de op voortplanting gerichte heteroseksualiteit. Dat verkrachting binnen het huwelijk niet strafbaar is gesteld is hiervoor illustratief”.

Het is altijd de vrouw die als object dient van zedelijke normering. Dat zagen we 25 jaar geleden en zien we nu nog steeds als we naar de positie kijken van meisjes en vrouwen in gesloten, conservatieve gemeenschappen. Antony Hegarty van Antony and the Johnsons bracht dit mooi en wijs onder woorden in het VPRO programma Wintergasten in januari j.l.:

“Oftentimes women have been cast in a role of blame. Even the church used
that, as they blamed Eve for the introduction of evil impulses. Sexuality or the
lure of women was seen as a demonic aspect of their character. They were
perceived as being closer to nature or natural impulses, and therefore
uncivilized. A lower caste.”

Het kan lang duren, kort duren, we kunnen een terugslag meemaken, maar ik ben er van overtuigd dat seksuele zelfbeschikking onvermijdelijk is. De vraag is hoe we hier een constructief gesprek over kunnen voeren. Dat is nog altijd moeilijk. Dat zie je bijvoorbeeld in de COC-documentaire Help! Een homo in de klas. Daarin laat het COC zien hoe vrijwilligers van het COC op scholen voorlichting geven over homoseksualiteit. Het viel mij op dat leerlingen het aan de ene kant heel graag willen hebben over seksualiteit. De voorlichters worden overladen met vragen. Maar aan de andere kant vliegen de normerende opmerkingen je om de oren. “Homoseksualiteit is verboden”, “het mag niet van de islam”, “het is vies”, wordt er gezegd. En zelfs: “Ik zou mijn kind opsluiten als hij homo was”. Dit soort opmerkingen zijn schokkend en discriminerend en vragen veel, zo niet alles van het incasseringsvermogen van de docenten. En toch moeten deuren en ramen open blijven. Toch moeten dit soort confrontaties mogelijk zijn. Hoe krijg je dit voor elkaar?

Ik sprak afgelopen najaar met jonge moslima’s van de stichting Ibno Khaldoun,

verbonden aan de Al Kabir moskee in Amsterdam. Zij vertelden mij dat zij te maken krijgen met dezelfde vooroordelen als mijn generatie en vragen voor de voeten geworpen krijgen als “hoe doe je dat met je kinderen?”, en “jullie willen toch alleen maar kinderen krijgen?”. Daarnaast moeten ze steeds opnieuw uitleg geven over waarom ze een hoofddoek dragen en beargumenteren waarom ze niet onderdrukt worden. Tegelijkertijd zijn er ook jonge vrouwen die de hoofddoek afleggen en daarbij wel degelijk de last van de groepsdwang voelen. Als het gaat om (seksuele) zelfbeschikking en emancipatie heb ik zorgen om jonge moslima’s. We weten dat deze meiden vaker kampen met burn-outs en depressies. In Amsterdam blijft de economische zelfstandigheid van jonge moslimvrouwen achter op die van leeftijdsgenoten in de stad. 24 procent van de Turkse/Marokkaanse vrouwen is economisch zelfstandig, tegenover 65 en 71 procent van de Surinaamse/Antilliaanse en autochtone vrouwen. Als ik dat zeg wordt dat als bedreigend ervaren: “We emanciperen zelf wel, wie ben jij om dat op te leggen”. Daarachter zit volgens mij onzekerheid over de identiteit, geen vuile was buiten willen hangen, of loyaliteit aan familie. En ook: geen kritiek kunnen verdragen. “Jij weet niet wat het is”. Natuurlijk: het is hún emancipatie. Maar ik wil ze laten weten dat ik ze niet aan hun lot overlaat in het niemandsland tussen de eigen gemeenschap en de afwijzende samenleving. Ook het gesprek over de positie van religie is belangrijk om te voeren. Femke Halsema stelt hierin een ‘derde weg’ voor. Zij definieert godsdienstvrijheid als een individueel recht. Daar waar het individu in verdrukking komt, is de vrijheid van godsdienst niet van toepassing. Een lastige kwestie daarbij is precies die positie van het individu. De zware sociale verantwoordelijkheid die veel meisjes en jonge vrouwen voelen om hun familie niet te kwetsen of te schande te maken is echt. Het woord ‘onderdrukking’ is daar niet geschikt voor, want die verantwoordelijkheid is vaak positief gemotiveerd, uit liefde.

Schurend

Deze zaken maken dat ik teruggrijp op het oude, veelbeproefde begrip burgerschap. Het gaat bij burgerschap niet over kleinburgerlijke kwaliteiten bijvoorbeeld dat iedereen elkaar kent in het dorp. Voor Amsterdam en andere steden draait het om het ontwikkelen van grootstedelijke burgerschapscompetenties, iets waar filosofe Baukje Prins mij op wees. Grootstedelijke burgerschapscompetenties betekenen dat we moeten accepteren dat de multiculturele samenleving schuurt en zal blijven schuren. Het gesprek voeren met mensen die fundamenteel anders tegen het leven aankijken dan jij, bijvoorbeeld over homoseksualiteit, vrouwen en seksualiteit, of over het conflict in het Midden-Oosten. Dat gesprek doet pijn. Er worden dingen gezegd die je raken. Het gaat erom dat wij dit gesprek ondanks de pijn die het doet toestaan en aangaan. Niet weglopen voor de confrontatie.

Ik vind het belangrijk om te benadrukken dat die pijn niet altijd opzettelijk wordt toegebracht. Een belediging is soms onbedoeld, ontstaat uit nieuwsgierigheid en onhandigheid. Sociologe Evelien Tonkens noemt dit ‘onbeholpen burgerschap’. We moeten elkaar dus ook meer gunnen in het gesprek. Niet elke misstap hoeft te worden afgestraft. Soms is een herkansing op zijn plaats. Omgangsvormen zijn daarom cruciaal. Die zijn in onze verharde samenleving soms ver te zoeken. Ik pleit daarom voor een terugkeer van de hoffelijkheid. Hoffelijkheid, of het Engelse civility beschrijft de omgangsvormen waarmee tolerantie, respect en betrokkenheid worden getoond aan de gesprekspartner. Civility is daarmee een voorwaarde om een open en constructief gesprek te voeren in een veilige en respectvolle omgeving. Bij het voeren van gesprekken over controversiële onderwerpen is het tonen van civility dus erg belangrijk. Naast hoffelijkheid is duidelijke normering noodzakelijk. De stedelijke identiteit zoals het zijn van een Amsterdammer biedt toegang tot het benoemen van de norm. Die maakt het mogelijk te zeggen dat in Amsterdam mensen moeten kunnen worden wie ze willen. Dat er in de publieke ruimte bepaalde omgangsvormen bestaan. Deze norm is geen gegeven en dient constant bevestigd te worden. Daarom is het zo belangrijk, zeker voor gezagsdragers, om steeds duidelijk te maken: discriminatie kan niet. Pesten, geweld jegens homo’s wordt niet geaccepteerd.

Volgens Amartya Sen biedt het loslaten van stereotypen en platitudes de ruimte om de mens te zien die daaronder verborgen gaat: een mens met verschillende overtuigingen en rollen. De belangrijkste vraag is hoe individuen deze verschillende rollen combineren en welke verbindingen ze daarin aangaan. Ik wil de stad, het zijn van een Amsterdammer benoemen als de gemeenschappelijke basis waarop Amsterdammers, hoe verschillend ook, zich tot elkaar verhouden. Deze stedelijke identiteit is de deur of het raam dat we zochten. Het besef dat ieder niet alleen tot zijn eigen gemeenschap behoort, maar ook tot die grotere, Amsterdamse gemeenschap.

In deze tijd zijn grootstedelijke burgerschapscompetenties van essentieel belang. Dit stelt Amsterdammers in staat het juk van de slachtofferrol neer te leggen en uit hun ‘comfort zone’ te stappen. Het maakt dat schurende, pijnlijke gesprekken kunnen worden gevoerd, dat het noodzakelijke onderhoud aan onze samenleving kan plaatsvinden.

Deze toespraak werd  op 26 januari 2011 uitgesproken onder de titel ‘Amsterdam is kwetsbaar’ in De Balie te Amsterdam. Het was onderdeel van conferentie ‘Sexual Nationalism’, georganiseerd door de Universiteit van Amsterdam.

Literatuur:

- Amsterdam in cijfers 2010, Tabel 6.2.5, p.224.
- Amartya Sen, Identity and Violence. The illusion of destiny, New York 2006.
- Andrée van Es, 17 oktober 1984, Behandeling van Wijziging van artikel 240 van het Wetboek van Strafrecht en van enige andere bepalingen (15836).
- Antony Hegarty in het VPRO programma Wintergasten 3 januari 2011.
- Baukje Prins, Voorbij de onschuld. Het debat over integratie in Nederland, Amsterdam, 3e druk 2009.
- Evelien Tonkens, Onbeholpen burgerschap. Burgerschapslezing van het Soeterbeeck Programma en het Forum voor Democratische Ontwikkeling op 3 maart 2011.

Voormalig Tweede Kamerlid en wethouder. Columnist van tijdschrift de Helling.
Alle artikelen